Maak kennis met de mensen achter WAAG

30-06-2026
44 keer bekeken

Achter de schermen werken specialisten uit verschillende vakgebieden aan de enorme uitdaging om dit enorme project tot een succes te maken. Wie zijn die vakspecialisten en wat doen zij eigenlijk? In gesprek met Siebren van der Linde, trekker van het taakveld bron en inname.

De vraag naar drinkwater groeit, ook in het Gooi en de omliggende gebieden. PWN, Vitens en Waternet onderzoeken samen hoe ze hier in de toekomst genoeg drinkwater kunnen leveren. Met oppervlaktewater als belangrijkste bron en de mogelijkheid om bij te springen met grondwater als dat nodig is. Het doel is om vanaf 2035 op een nieuwe productielocatie 30 miljard liter drinkwater per jaar te maken. Meer dan genoeg voor een half miljoen mensen. Achter de schermen werken specialisten uit verschillende vakgebieden aan de enorme uitdaging om dit enorme project tot een succes te maken. In gesprek met Siebren van der Linde, trekker van het taakveld bron en inname.

Wat houdt jouw taakveld binnen het WAAG-project in?

“De kern is eigenlijk heel simpel: welk water gaan we opwerken naar drinkwater, en waar gaan we dat doen? We kijken daarbij naar de twee oppervlaktewaterbronnen: het Amsterdam-Rijnkanaal en de Zuidelijke Randmeren. Beide bronnen hebben hun eigen mitsen en maren, en die moet je goed in beeld brengen. Daarnaast kijk ik naar de mogelijkheden om water uit deze bronnen in te nemen. Wat is een logische en werkbare plek voor zo’n innamepunt – een flinke civieltechnische constructie met buizen, kleppen en pompen? Die voorziening ontwerpen we in het team niet zelf, daar schakelen we een ingenieursbureau voor in. Mijn rol is vooral om de hydrologische kant van de bron en de inname goed te overzien en de juiste informatie aan te leveren.”

Waar kijk je dan precies naar?

“Allereerst naar de bron zelf: wat is dit voor een watersysteem, wat is de kwaliteit van het water en wat betekent dat voor de mogelijkheden? Ik hoef niet zelf te bedenken hoe je daar drinkwater van maakt; dat hoort bij het taakveld zuivering. Maar ik zorg wel dat de gegevens over die bron beschikbaar komen en dat duidelijk is welke kansen en beperkingen er zijn. Hierbij spelen ook allerlei bestuurlijke- en omgevingsvraagstukken mee. Doorgaans is er genoeg water, maar in droge zomers kan dat anders liggen. Oppervlaktewater vormt een open systeem waarin heel veel uitwisseling met de omgeving plaatsvindt, veel meer dan bij grondwaterwinning. Daarom krijg je ook veel te maken met belangen van andere gebruikers; hoe verloopt het samenspel met andere partijen dan? Hoe worden die belangen afgewogen en hoeveel water kunnen wij dan krijgen? Dat speelveld overzien hoort ook bij mijn rol.”

Waar zitten belangrijke verschillen tussen Amsterdam-Rijnkanaal en de Randmeren als bron?

Het Amsterdam-Rijnkanaal is een bewezen bron; Waternet gebruikt dit water al jaren voor de drinkwaterproductie. De risico’s zijn bekend en er is een bestaand innamepunt waar WAAG op zou kunnen aansluiten. Hoewel de infrastructurele impact niet gebagatelliseerd mag worden, is het in de basis een kwestie van de 'kraan' verder opendraaien. De Randmeren zijn daarentegen nieuw als bron. Hier moet niet alleen een volledig nieuw innamepunt worden gevonden, maar ook de zuivering moet worden ontworpen op een minder voorspelbare waterkwaliteit.

Het grootste verschil tussen beide bronnen is dat de ene bron een meer is, met lange verblijftijden en de andere een kanaal, met korte verblijftijden.

Een groot voordeel van het Amsterdam-Rijnkanaal is de sterke doorstroming, die zorgt voor korte verblijftijden. Mocht er bijvoorbeeld door een scheepsongeluk een verontreiniging optreden, dan stroomt deze snel weer weg. In die korte periode moet grondwater als tijdelijke back-up bron dienen. Bij de Randmeren ligt dit anders. Hoewel er nauwelijks scheepvaart is, is de doorstroming er veel beperkter. Áls het daar misgaat, blijft het meer maandenlang vervuild. Om in die lange periode toch voldoende drinkwater te kunnen leveren, zouden we langdurig moeten overschakelen op grondwater. Een maandenlange, intensieve onttrekking kan echter negatieve effecten hebben op de omliggende grondwaterafhankelijke natuur, wat de Randmeren daarmee kwetsbaarder maakt als primaire bron.

Door diezelfde lange verblijftijden is algengroei de grootste uitdaging voor de Randmeren geworden. Het watersysteem wordt nu namelijk zwaar belast met fosfaatrijk water uit het stroomgebied van met name de Eemvallei. Uit onderzoeken blijkt dat puur dankzij een precair ecologisch evenwicht tussen waterplanten en mosselen er momenteel sprake is van helder water. Zou dit evenwicht verstoord worden, bijvoorbeeld door klimaatverandering of een ineenstorting van de mosselpopulaties dan worden de Randmeren een troebel watersysteem en veel minder geschikt als bron voor drinkwater. De uitdaging zit 'm er voor ons in hoe we hier mee om moeten gaan, bijvoorbeeld door een zuiverend waterbekken aan het systeemontwerp toe te voegen.

Wat zou voor de Randmeren een geschikt innamepunt kunnen zijn?

“Een innamepunt aan de zuidkant ligt het meest voor de hand: het water moet die kant op. Maar daar loop je meteen tegen beperkingen aan. Niet alleen zit je in Natura2000-gebied, maar het meer is er ook ondiep, zodat een innamepunt kan droogvallen. Technische trucs om dit op te lossen, kunnen weer schade aan de natuur aanbrengen. De meest haalbare innamelocatie lijkt daarmee aan de overkant van het meer te zitten, op Flevoland.

Is het Amsterdam-Rijnkanaal dan niet een veel minder ingewikkelde keuze?

“Als het alleen om mijn taakveld draaide, misschien wel. Maar het Amsterdam-Rijnkanaal zorgt juist voor grotere uitdagingen voor andere onderdelen, zoals leidingen. Zo hebben we in die omgeving te maken met UNESCO-werelderfgoed de Hollandse Waterlinie, met Natura 2000 en een vol gebied met allerlei bestaande functies en infrastructuur. Het water innemen is één ding, de moeilijkheid zit erin om het vervolgens daadwerkelijk naar een zuivering te leiden en te distribueren. En daar ook nog vergunningen voor te krijgen.”

Zie je het met al die uitdagingen nog wel zitten?

“Absoluut! Het leuke is juist dat de verschillende taakvelden geen losse hokjes zijn. Dat ik vanuit mijn rol kan meedenken over andere onderdelen, en dat andere taakveldtrekkers met mij meedenken. Zo voelt iedereen heel sterk hoe het geheel in elkaar grijpt. Ik vind het ook mooi om samen aan zoiets groots te werken, aan iets wat echt impact heeft.”

Afbeeldingen

Cookie-instellingen